![]() |
Ecuador |
In mei 2002 bracht ik een kort bezoek aan Ecuador. Dit was tevens mijn eerste bezoek aan het werelddeel Zuid-Amerika. Het enige dat ik had gekocht was een KLM-ticket, de rest regelde ik ter plaatse.
De hoofdstad Quito ligt in het Andes gebergte. Ten noorden van Quito ligt de evenaar, La Mitad del Mundo (het midden van de wereld), waar een groot munument staat. Het weer in Quito kan snel omslaan, dat is vaak zo in de bergen. Enkele malen barstte de regen los en alle straten overstroomden. Ik werd enkele malen verrast en soms ging het zo hard dat ik niets droog kon houden. Schoenen, sokken, tas, het reisboek in m'n tas, gewoon alles was zeiknat.
In Quito kocht ik een ticket voor een binnenlandse vlucht naar het zuiden, naar Cuenca. Ik nam niet al m’n baggage mee, ik liet m’n koffer in Quito achter. Vanuit Cuenca zou ik met bussen naar het noorden reizen. Ten noorden van Cuenca ligt de grootste historische highlight van Ecuador: Ingapirca. Ik vond het niets bijzonders. Vanuit Cuenca zo’n 7 uur met de bus door het Andes gebergte naar Ambato, waarna ik nog zo’n 1½ uur verder ging met een andere busmaatschappij naar het kleinere maar meer toeristische Baños. Het meest bizarre verhaal van de reis (voor mij op dat moment een verschrikking) ontstond vanuit Baños:
The dramatic "descent" to Puyo
In Baños kun je wandelen en fietsen door de natuur. Je kunt er ook mountainbikes huren. Dat deed ik, want ik had vernomen dat je van Baños een lange fietstocht door de natuur kon maken naar de plaats Puyo. Ik had er over gelezen en in Baños vroeg ik het uiteraard na. Vooraf informatie inwinnen is vaak van groot belang. Dus ik vroeg na hoeveel kilometer het was, of ze een tijdsinschatting konden geven, wat de conditie van de weg was en of de weg echt alleen maar naar beneden liep. Met name op de laatste twee punten werd ik verkeerd geïnformeerd. De weg was "prima", zei men. En op de vraag of het alleen maar dalen was zei men "ja". Ik schatte het wel een stuk zwaarder in dan dat ze zeiden, maar als ik vooraf had geweten welke slopende tocht het zou worden, dan had ik het zeker niet gedaan.
Het begin ging goed. Een uitstekende asfaltweg en alleen maar dalen. Ik ging verschrikkelijk hard. Het verliep snel. Na een tijdje hield de asfaltweg echter op, het werd stof met stenen. Maar ja, het daalde nog, het was nog geen probleem. Toen een tunnel. Ik reed er maar in. Hij was lang en onverlicht. Gevaarlijk voor een fietser zonder licht. Even later weer een hele lange donkere tunnel, waarin vocht uit de berg naar beneden druppelde, ik werd nat en het wegdek was glad. Een auto naderde me van achteren. Dit was levensgevaarlijk. Van voren kwamen ook auto’s. Het was pikdonker. Ik reed langzaam door totdat de auto me van achteren naderde en ik iets kon zien door zijn licht. Ik ging zo veel mogelijk rechts rijden en besefte dat ik een rotsblok in de bergwand of een kuil in het wegdek niet zou zien. Het ging goed, het duurde nog even voordat ik de tunnel uitreed. Buiten zag ik hoe vies ik was door het vocht. Ik zal helemaal onder de blubber (geen spatborden). Ik baalde, maar kon niets anders doen dan doorgaan. Het was heet, de zon brandde recht boven me. Ik smeerde me in tegen de felle zon en ging door. De dalingen werden minder en af en toe ging de weg ineens omhoog! In de verre diepte zag ik af en toe de rivier. Ergens maar nergens kocht ik langs de weg bij een paar meisjes wat (onrijpe) mandarijnen. In m’n beste Spaans vroeg ik hoe veel kilometer het nog was. Zij schatte in (ik schrok me het lazerus) dat ik pas op de helft was! Er zou wel weer asfalt komen, maar voorlopig nog niet. Ik zag het niet meer zitten. Ik wenste dat ik m’n rugzak niet op m’n rug hing. In de brandende zon reed ik verder over de slechte weg, nu meestal omhoog. Vaak had ik moeite om in te schatten hoe ver ik me op de route bevond. Ik kon het op een gegeven moment niet meer opbrengen om de stukken omhoog te rijden, ik was op, kapot. Regelmatig werd het dus omhoog lopen. Dalen ging op een gegeven moment ook niet meer goed, kracht ontbrak soms om door te trappen en ik had inmiddels ernstige zadelpijn. Met de onderkant van m’n dijbeen op het zadel daalde ik. Ik was totaal verkeerd ingelicht, ik baalde, erger leek niet te kunnen. Maar ja...het kon wel erger, ineens verschenen er uit het niets grote grijze donkere koppen van wolken in de lucht. Ik wist hoe laat het was: het zou dadelijk losbarsten. Ik was inmiddels wel een flink stuk gezakt vanuit Baños en de omgeving was prachtig, ik kon het echter niet goed in me opnemen. De tocht was zeer bijzonder, want ik reed het hoge Andes gebergte uit, zo het tropische regenwoud van de Amazone in. De begroeiing werd gevarieerder en ik werd vergezeld door duizenden vlinders. Die vlogen zo licht en ik voelde me zo zwaar, ik dacht dat ik dood ging. Op een gegeven moment begon het asfalt weer. Op de route was een controlepost van het leger, daar moest ik m’n paspoort laten zien en m’n gegevens noteren. Ik vroeg weer hoe ver het nog was en wederom viel het antwoord me tegen. Na eerdere kortere rustpauzes, stopte ik hier redelijk lang. Gelukkig werd de weg nu vlakker. Het begon te regenen. Langs de weg was ineens een restaurant dat er goed uitzag, voor mij een wonder tijdens deze tocht. Ik stopte voor de lunch en het noodweer barstte los. Ik wachtte tot het over was en fietste het laatste stuk. Ik bereikte Puyo, aan het begin van het Amazone gebied, ik was helemaal gesloopt. Ik had zo’n 70 kilometer gefietst, verreweg het meeste door het Andes gebergte. Met de lokale bus ging ik terug (fiets op dak). Wat een verschrikking, als ik dat vooraf geweten had, was ik er zeker niet aan begonnen.
De volgende twee dagen was ik ziek, ongetwijfeld een gevolg van de zware tocht in combinatie met de brandende zon. Toch moest ik verder reizen, ik had absoluut geen tijd om ziek te zijn, maar ik voelde mee zeer beroerd. Met bussen naar Ibarra en Otavalo. Het reizen is een ramp als je je zo ziek voelt, maar uiteindelijk kwam ik overal waar ik heen wilde.
Ik ben altijd zeer waakzaam, maar op de laatste dag bleek dat zelfs ik bestolen kan worden zonder dat ik het door heb. Het gebeurde bij terugkomst in Quito. Uiteraard waren het bijzondere omstandigheden, want ik was natuurlijk ziek, had ook relatief veel handbaggage bij me en belandde in een overvolle trolleybus. Ik had het door, maar helaas net te laat: zak gerold. Naar m’n rugzak (die ik vanwege de drukte uiteraard in m’n handen genomen had) ging m’n meeste aandacht, want daar zaten m’n waardevolle spullen in. Het was onmogelijk dat iemand daar iets mee deed zonder dat ik het merkte. Tja...toen pakten ze m’n broekzak. Normaal acht ik dat ook voor vrijwel onmogelijk, maar deze dag kon het gebeuren. Ineens was daar het besef dat me iets ontgaan was, maar de daders waren luttele tellen voordat ik het door had uitgestapt. Ik let er altijd zo goed op en dat dit mij nou moest overkomen, daar baal ik nog steeds van. De schade viel overigens mee.